Kennisbank · dimensionering

De juiste nominale diameter kiezen

Een te grote watermeter of warmtemeter registreert kleine debieten nauwelijks; een te kleine veroorzaakt drukverlies en werkt aan zijn grens. Zo dimensioneert u de H2O en DELTA III correct.

Basisregel: dimensioneren op debiet

De nominale diameter van de meter hoeft niet overeen te komen met die van de leiding. Doorslaggevend zijn de debieten die in bedrijf optreden: normaal continubedrijf, pieken en de kleinste debieten, bijvoorbeeld ‘s nachts. Verloopstukken voor en achter de meter zijn gebruikelijk.

Kengetallen van de watermeter H2O

Q3, permanent debiet
Het debiet waarmee de meter continu mag worden gebruikt. Het bepaalt de grootte van de meter, bijvoorbeeld Q3 = 4,0 m³/h voor DN20.
Q4, overbelastingsdebiet
Kortstondig toegestaan; bij de H2O 1,25 × Q3.
Q1, minimaal debiet
Vanaf dit debiet meet de meter binnen de maximaal toelaatbare fouten. Q3/Q1 is het meetbereik: bij de H2O R250 tot R500 met schroefdraad en R400 of R800 met flens.

Voorbeeld: een H2O DN20 met R250 heeft Q3 = 4,0 m³/h en Q1 = 0,016 m³/h, oftewel 16 liter per uur. In de uitvoering R400 daalt Q1 tot 10 l/h. Wilt u druppelende kranen en lekkages detecteren, dan is het grotere meetbereik een voordeel.

Kengetallen van de warmtemeter DELTA III

qp, nominaal debiet
Continubedrijf, bijvoorbeeld 2,5 m³/h voor DN20.
qs, maximaal debiet
Kortstondig toegestaan; bij de DELTA III 2 × qp.
qi, minimaal debiet
qp/qi = R100 standaard, R50 of R250 als optie.

Bij een warmtemeter speelt ook het temperatuurverschil mee. Het ontwerpdebiet is het verwarmings- of koelvermogen gedeeld door Δθ en de warmtecapaciteit van water. Koudwaterinstallaties werken met kleine temperatuurverschillen en hebben daardoor bij hetzelfde vermogen aanzienlijk meer debiet nodig dan verwarmingsinstallaties.

Controleer het drukverlies

De meter vormt een kleine weerstand voor de stroming. Voor de DELTA III bedraagt het drukverlies bij qp 110 tot 180 mbar voor de uitvoeringen met schroefdraad en 2 tot 11 kPa voor de uitvoeringen met flens. Neem deze waarde mee in de dimensionering van de pomp.

Schroefdraad of flens?

Voor beide producten geldt: DN15, DN20, DN25, DN32 en DN40 hebben een schroefdraadaansluiting van G 3/4 B tot G 2 B. Vanaf DN50 hebben de meters een flensaansluiting. De inbouwlengte neemt toe met de nominale diameter; voor elke diameter staat deze in de diameterkeuze op de productpagina’s.

Stap voor stap

  1. Bepaal de debieten: continu, piek, minimaal.
  2. Kies de kleinste nominale diameter waarvan Q3 of qp het continubedrijf dekt.
  3. Controleer of de piek onder Q4 of qs blijft en het minimum boven Q1 of qi.
  4. Neem het drukverlies mee in de dimensionering van de pomp.
  5. Leg aansluiting, temperatuurklasse en interface vast.

Nominale diameters H2O Nominale diameters DELTA III

Bij de definitieve dimensionering adviseren wij u graag.