Kennisbank · installatie
Ultrasone meters ontwerpen en installeren
Een checklist voor adviseurs en installateurs van ultrasone watermeters en warmtemeters. Deze vervangt de installatiehandleiding van het product niet, maar helpt u de meest voorkomende fouten al in de ontwerpfase te voorkomen.
1. Kies de inbouwlocatie
- Bereikbaar voor uitlezen, vervanging en herijking
- H2O: binnen, of buiten in een meterput of meterkast (IP68)
- DELTA III: flowsensor IP68, rekenwerk IP65, omgevingstemperatuur +5 tot +65 °C
- Plaats afsluiters voor en achter de meter
2. Leidingen spoelen vóór de montage
In nieuwbouw blijven na de installatie vaak lasspatten, spanen, zand of afdichtingsresten in de leidingen achter. Spoel de leidingen grondig voordat u de watermeter of warmtemeter monteert, want vuil en afzettingen in de meetbuis kunnen de meting beïnvloeden.
- Monteer tijdens het spoelen een passtuk in plaats van de meter
- Spoel tot het water helder is
- Monteer pas daarna de meter, met nieuwe pakkingen
3. Inbouwpositie en rechte in- en uitlooplengtes
De H2O kan in elke positie worden ingebouwd. De H2O en de DELTA III hebben van DN15 tot DN40 geen rechte in- en uitlooplengtes nodig; volg voor grotere diameters de installatiehandleiding. De pijl op de meter moet in de stromingsrichting wijzen; de DELTA III meldt een verkeerde stromingsrichting als alarm.
4. Temperatuurvoelers van de DELTA III
- Eén voeler wordt in de flowsensor gemonteerd, de tweede in de andere leiding
- Geef in het schema duidelijk aan welke leiding de aanvoer en welke de retour is
- Voelerkabels: 1,5 m (3,0 m vanaf DN50), tot 15 m op aanvraag. Kort de kabels niet in
- Gebruik waar mogelijk Pt1000; combineer geen voelers uit verschillende paren
5. Rekenwerk en kabels
Het rekenwerk van de DELTA III wordt op een DIN-rail gemonteerd of met de meegeleverde wandadapter. De kabel naar de flowsensor is verkrijgbaar in lengtes van 1,5 tot 15 m, langer op aanvraag. Zo kunt u het rekenwerk plaatsen waar het goed af te lezen is, ook als de sensor onder isolatie verborgen zit. Na de inbedrijfstelling wordt de behuizing verzegeld.
6. Communicatie
- M-Bus
- Buskabel naar de master, polariteit niet van belang; tel de belastingen op en documenteer de secundaire adressen.
- RS-485
- Bekabel als lijn met 120 Ω aan beide uiteinden; gebruik elk slave-adres maar één keer.
- LoRa
- Controleer de ontvangst op de inbouwlocatie, vooral in kelders en meterputten. Meld de apparaten aan op het netwerk (OTAA).
- NB-IoT
- Controleer de dekking van de provider op de inbouwlocatie; regel een simkaart en een data-abonnement.
7. Voeding
Batterijvoeding is standaard. Optioneel kan de H2O worden gevoed met 12 tot 42 V DC of via de M-Bus, en de DELTA III met 24 V DC of via de M-Bus met back-upbatterij. Vaak uitlezen, vooral via radio, verkort de levensduur van de batterij.
8. Inbedrijfstelling
- Ontlucht de installatie en controleer of de meter geen ‘lucht in leiding’ meldt
- Plausibiliteitscontrole: lees tijdens bedrijf het debiet, de temperaturen en Δθ uit
- Controleer of de datalogger of het gebouwbeheersysteem de meter uitleest
- Noteer meternummer, locatie, meterstand en adres